Vossenfokkerij
In Nederland zijn er gelukkig geen vossenfokkerijen meer, in sommige andere landen nog wel, zoals in Canada, Noorwegen, Finland, Rusland, China en de Verenigde Staten.
Op een vossenfokkerij valt niets te beleven voor de avontuurlijke en slimme vos. In mei worden de jonge vosjes geboren en na zeven maanden - als de wintervacht op z'n mooist is - worden de dieren op het bedrijf geëlektrocuteerd. Een vossenkooi is meestal ongeveer 64 cm breed, 100 cm lang en 75 cm hoog en meestal zitten er twee vossen in opgesloten. Het voer bestaat uit een prak slachtafval van kip en vis. Rennen in een kooi is uiteraard uitgesloten. De dieren zitten met duizenden dicht op elkaar, in de stank van elkaars uitwerpselen en geurvlaggen. Vossen zijn bang voor mensen, maar op de fokkerij kunnen ze niet vluchten.

Welzijnsproblemen
Vossen horen niet in krappe kooien. Het zijn ongedomesticeerde roofdieren die nog dezelfde kenmerken bezitten als hun wilde soortgenoten. Ze raken gestresst en ontwikkelen vaak stereotiep en zelfbeschadigend gedrag. Bij vossen is dit het duidelijkst zichtbaar. Ze zijn schuw en bang voor mensen. Uit stress verminken ze zichzelf door hun staart kapot te bijten en soms weigeren ze wekenlang te eten. Spontane abortussen komen veelvuldig voor en de jongensterfte is hoog, ongeveer 50%. In veel van de gevallen zijn de dieren uit angst en frustratie door de eigen moeder doodgebeten of zelfs opgegeten. Vossen lopen vaak langdurig in rondjes of draaien voortdurend met hun kopje. Dit abnormale gedrag wordt veroorzaakt door de onnatuurlijke huisvesting van de dieren. In november wordt op abrupte wijze een einde gemaakt aan dit treurige bestaan. De vossen worden dan geëlektrocuteerd met hun staaf in hun anus.









