Bont voor Dieren

Dieren komen vaak voor in onze spreekwoorden en uitdrukkingen. Maar wat betekenen deze nou eigenlijk? Klik op de button van het dier waarvan je de spreekwoorden en uitdrukkingen wil bekijken. Eerst zie je het spreekwoord en op de regel in blauw er onder de betekenis. Er zijn er vast veel meer. Laat het ons weten als je er nog één weet en zet de betekenis er ook bij.

Honden

  1. als oude honden blaffen, is het tijd om uit te zien. (=als ervaren mensen waarschuwen moet je luisteren.)
  2. als twee honden vechten om een been loopt de derde ermee heen (=een derde profiteert van de ruzie van twee anderen)
  3. blaffende honden bijten niet (=zij die het hardst roepen, zijn het minst gevaarlijk)
  4. de hond de jas voorhouden. (=iemand valse hoop geven op iets dat hij graag wil hebben.)
  5. de hond in de pot vinden. (=te laat zijn voor het eten (alles is op).)

Katten

  1. ’t Is gelijk of men van/door de kat of de kater/hond gebeten wordt. (=het maakt niet uit hoe of waardoor je benadeeld bent geweest.)
  2. er was geen hond/kat/kip (=er was niemand
  3. als kat en hond leven (= veel ruzie met elkaar maken)

Konijnen

  1. ’t is bij de konijnen af. (=het is buitengewoon erg – walgelijk)
  2. als proefkonijn dienen. (=dienen voor een of ander experiment)
  3. bij de konijnen af. (=buitengewoon erg)
  4. met de konijnen door de tralies kunnen eten. (=zeer mager zijn)

Schapen

  1. als er één schaap over de dam is, volgen er meer. (=als één persoon iets nieuws geprobeerd heeft, durven anderen ook wel)
  2. een wolf in schaapskleren. (=een gevaarlijk iemand die zich als onschadelijk voordoet)
  3. het verloren schaap (zijn). (=de gezochte (zijn))
  4. het zwarte schaap van de familie. (=iemand die een beetje buiten de familie staat qua gedrag)
  5. wolf in schaapskleren. (=er braaf uitziend maar in werkelijkheid heel gevaarlijk)
  6. zijn schaapjes op het droge hebben. (=de zaken op orde hebben of voldoende hebben om niet meer te hoeven werken)
  7. zijn schaapjes scheren. (=er de winst uithalen)

Vossen

  1. een vos verliest wel zijn haren maar niet zijn streken. (=mensen veranderen zelden echt)
  2. men moet vossen met vossen vangen. (=je moet een slimme persoon vangen door slim te zijn)
  3. wat de vos niet weet, weet de haas ook niet. (=het is moeilijk iets te weten als het je nooit verteld is)
  4. zo slim als een vos zijn. (=heel erg slim zijn)

Wolven

  1. de wolf ruit wel van baard maar niet van aard. (=het karakter van de mensen verandert nooit)
  2. een wolf in schaapskleren. (=een gevaarlijk iemand die zich als onschadelijk voordoet)
  3. wee de wolf die in een kwaad gerucht staat. (=als je je goede naam verliest is die haast niet terug te winnen)
  4. wolf in schaapskleren. (=er braaf uitziend maar in werkelijkheid heel gevaarlijk)

Martersoorten

  1. slapen als een marmot/otter/roos. (=erg vast en heerlijk slapen)
  2. zo scheel als een otter. (=zeer scheel)
  3. Flakkees (is een dialect): Stienke as een bunzing. (=Een hele erge stank.)