Bont voor Dieren

Bontfokkerijen

Binnen de Europese Unie worden jaarlijks meer dan 50 miljoen dieren gefokt en gedood voor de productie van bont. De meeste voorkomende gehouden soorten – nertsen, vossen en wasbeerhonden – zijn in wezen nog steeds wilde dieren. Er vindt nauwelijks selectie plaats op kenmerken als tamheid en aanpassingsvermogen voor gevangenschap.
Deze soorten zijn ongeschikt om gehouden te worden voor productiedoeleinden. De dieren zitten tijdens hun korte leven in draadstalen kooien om uiteindelijk vergast of geëlektrocuteerd te worden wanneer hun vacht op zijn mooist is. Hieronder volgt een uiteenzetting van de verschillende dierenwelzijnsproblemen die een probleem vormen bij de productie van bont.

Nederlandse situatie nertsenfokkerijen

infographic_bontindustrie

(Klik op de afbeelding om te vergroten)

Nauwelijks selectie toegepast voor adaptatie aan gevangenschap

Nertsen zijn in wezen nog steeds wilde dieren. Zij zijn nauwelijks gedomesticeerd. Het Wetenschappelijk Comité voor dierenwelzijn en diergezondheid van de Europese Unie concludeerde het volgende in hun rapport The Welfare of Animals kept for Fur Production uit 2001:

these species, in comparison with other farm animals, have been subjected to relatively little active selection, except with respect to fur characteristics. There has thus been only a limited amount of selection for tameness and adaptability to captive environments.”

Nertsen zijn carnivoren en erg nieuwsgierige, actieve roofdieren met een complex sociaal leven. In tegenstelling tot andere soorten landbouwhuisdieren (vaak groepsdieren), zijn nertsen van nature solitair. Nertsen en vossen zijn beide territoriaal en gaan in het wild ver om hun territorium te verdedigen. Deze dieren zijn ongeschikt om te houden, laat staan in de intensieve veehouderij.

Houderij-omstandigheden en aanbevelingen van de Raad van Europa

Dieren die gehouden worden voor de bontproductie worden doorgaans gehuisvest in lange rijen van draadstalen kooien in open ‘sheds’. Hun voedsel bestaat uit een pap van slachtafval dat bovenop de kooien wordt gespoten. Ze worden van water voorzien middels een waterslang met een drinknippel. Nertsen hebben een nestbox en soms minimale kooiverrijking zoals een pvc-buis.

Een gemiddelde nertsenkooi is 70 cm lang, 40 cm breed en 45 cm hoog. Deze afmetingen zijn gebaseerd op de lengte van een mensenarm in plaats van de natuurlijke behoeftes van de nerts. Volgens de aanbevelingen van de Raad van Europa bedraagt de minimale benodigde ruimte voor een volwassen nerts 2550 cm2, voor een volwassen nerts met jongen is dit ook 2550 cm2, tot twee gespeende jongen is de benodigde ruimte 2550 cm2 met 850 cm2 extra per dier bovenop de twee jongen.

Afwijkend gedrag

Aan de soorteigen behoeften van dieren in de bontindustrie wordt niet voldaan. Hun huisvesting is monotoon en lichaamsbeweging wordt beperkt. De dieren zijn niet in staat om soorteigen gedrag te uiten. Voor vossen is het bijvoorbeeld onmogelijk om te graven en nertsen hebben geen toegang tot zwemwater en kunnen sociale contacten niet uit de weg gaan.

Als gevolg hiervan vertonen dieren in de bontindustrie stereotiepe gedragingen (zoals ijsberen langs de randen van de kooi, circelen/zwaaien met het hoofd, etc) en automutilatie (o.a. zuigen of bijten aan de staart of vacht). Infanticide en kannibalisme worden ook waargenomen.

Hoewel de bontindustrie beweert dat afwijkend gedrag verminderd is door (minimale) kooiverrijking toont beeldmateriaal van recent onderzoek op bontfokkerijen in Denemarken, Finland en Tsjechië aan dat afwijkend gedrag en zelfveroorzaakte verwondingen nog steeds voorkomen op Europese bontfokkerijen.

Angst is ook een welzijnsprobleem bij dieren in de bontindustrie. Een recent Noors onderzoek toonde bijvoorbeeld aan dat een meerderheid van de nertsen en vossen angst vertoonden in plaats van vertrouwen als reactie op de tamheidstesten. Onderzoek toont aan dat pogingen om nertsen met minder stereotiep gedrag te fokken resulteert in dieren met meer angstgedragingen. Tenslotte, dieren die passief in hun kooi zitten of liggen lijden niet vanzelfsprekend minder. Een gebrek aan normaal gedrag kan ook een indicatie zijn voor slecht dierenwelzijn.

Overige gezondheids- en welzijnsproblemen

Naast afwijkend gedrag toont recent onderzoek naar Scandinavische bontfokkerijen een reeks van ernstige gezondheids- en welzijnsproblemen aan:

  • Ernstige, onbehandelde infecties aan de ogen, neus en oren;
  • Afwijkingen aan het tandvlees waaronder zwellingen die de tanden geheel omkapselen en ernstig geïrriteerd tandvlees;
  • Open wonden en verwondingen;
  • Dieren met verloren ledematen en/of staart;
  • Misvormde ledematen;
  • Kannibalisme van nestgenoten of jongen;
  • Rottende lijken die tussen de levende dieren in kooien lagen;
  • Misvormde dieren;
  • Vervallen kooien met scherp draad en gaas dat uitsteekt in de kooi;
  • Lege, vieze en of kapotte waterbakjes.

De bontfokkerijen die voor dit onderzoek warden onderzocht waren eigendom van kopstukken uit de bontindustrie.

Het moment waarop de dieren gedood worden

Dieren op bontfokkerijen worden gedood op het moment dat hun vacht op z’n best is: in het winterseizoen. Bontfokkers claimen dat de dieren goed verzorgd moeten worden, omdat hun vacht zou lijden aan een slechte behandeling. De dieren worden daarom gedood net voordat hun vacht zal gaan uitvallen/beschadigen. Dodingsmethodes bestaan uit vergassen, het breken van de nek, elektrocutie (elektrodes worden in de mond en anus gebracht) en (hoewel minder voorkomend) dodelijke injecties.

Het gebruik van gas voor het doden van dieren

De hedendaags toegestemde methodes voor het doden van de dieren op bontfokkerijen zijn hoge dosissen koolstofdioxide (meer dan 30% kooldioxide), koolmonoxide (puur) (gasmix bevat meer dan 4% koolmonoxide) en koolmonoxide samengevoegd met andere gassen.

Een belangrijke kanttekening hierbij is dat nertsen, die over het algemeen gedood worden met gas, semi-aquatische dieren zijn en hun adem goed lang kunnen inhouden. Ze neigen naar hypoxie doordat ze hun eigen lage zuurstofgehalte in hun bloed kunnen detecteren. Dit betekent dat ze enorm lijden tijdens het vergassingsproces. Dierenartsen hebben de volgende punten genoemd waarover ze hun zorg uitspreken omtrent het vergassen:

  • Koolmonoxide (CO): Het gebruik van CO is een onacceptabele methode voor het doden van dieren die gehouden voor hun vacht vanwege de onbetrouwbare concentraties, het gebruik van verontreinigde uitlaatgassen, het detecteren van het dier’s hypoxie en de langetermijnperiode voor de sensiviteit van dieren gedood door CO. Ook zijn er bezorgdheden over het gebruik van CO voor de gezondheid en veiligheid van de mensen.
  • Koolstofdioxide (CO2): De aversie tegen dit gas en de praktische problemen om hoge betrouwbare concentraties te verkrijgen maakt dat  CO2 een onaangename en onacceptabele methode is voor het doden van groepen dieren zoals nertsen , vossen en andere pelsdieren.

Hoofd- tot-staart elektrocutie

Hoofd-tot-staart elektrocutie is de meest voorkomende methode voor het doden van vossen en wasbeerhonden. Elektrocutie vereist enorme zelfbeheersing en het gebruik van elektrodes ingebracht in lichaamsopeningen. Als hartstilstand plaatsvindt voordat bewusteloosheid optreedt, dan is er grote kans voor het beleven van helse pijnen en stress van het dier. De elektrocutie van vossen is in New York al verbannen, doordat erg grote risico’s aan de methode zijn gevonden.

Conclusie over het dierenwelzijn op de bontfokkerijen

Het in 2001 uitgebrachte rapport van de Scientific Committee on Animal Health and Animal Welfare, concludeert dat: ‘… Veehouderijsystemen zorgen voor serieuze problemen voor alle diersoorten  die worden gefokt voor hun vacht.’. Het rapport gaat door op de aanbeveling dat zowel het management als het verblijf van nertsen en vossen grote verbeteringen nodig hebben. Tot nu toe hebben echter geen significante verbeteringen plaatsgevonden en deze zullen hoogst waarschijnlijk ook niet plaats gaan vinden.

De FFA en Eurogroup for Animals hebben opgeroepen om te stoppen met de methodes die nu gebruikt worden voor het doden van dieren in bontfokkerijen.

Lidstaten en fokverboden

Door de groeiende bezorgdheid over het dierenwelzijn en de ethiek omtrent het fokken van pelsdieren voor alleen hun vacht is het tij aan het keren tegen de praktijken van de bontproductie binnen de Europese Unie. Onderzoek naar bontfokkerijen in een aantal lidstaten hebben bewezen dat het produceren van bont niet op een humane manier kan gaan.

In Oostenrijk en Engeland is er al een verbod op bontfokkerijen. In Kroatië is ook een verbod vanaf 2007, met een uitloop van 10 jaar voor de bestaande bontfokkerijen om af te bouwen. In Nederland is er in 2015 een verbod gekomen op de nertsenfokkerijen, met een afbouw periode tot 2024. Slovenië heeft een verbod afgegeven op bontfokkerijen in maart 2013 met een afbouwperiode van 3 jaar. In Bosnië en Herzegovina, Macedonië en Spanje. Lopende verboden tegen bontfokkerijen zijn nu nog gaande in België, Duitsland, Luxemburg, Noorwegen en Tsjechië.

Vos- en Chinchilla-bontfokkerijen waren al verboden in Nederland in de jaren ‘90. Denemarken heeft ook een verbod sinds 2009 op vossenfokkerijen met een afbouwperiode. In Zweden is een vossenfokkerijverbod aangenomen doordat er een dierenwelzijnsregel kwam dat vossen alleen gehouden mochten worden als hun natuurlijk gedrag geuit kon worden in de fokkerijen. Denk hierbij aan graven, sociale interactie met andere vossen en actieve bewegingsvrijheid.

Duitsland heeft ook nieuwe regels voor bontfokkerijen aangenomen in 2009, waardoor er nu meer ruimte in de kooien is voor de dieren. Vanaf 2016 gelden er nieuwe regels omtrent zwemwater voor de nertsen en een ruimte voor vossen en wasbeerhonden om te kunnen graven. Deze regels zullen er uiteindelijk voor gaan zorgen dat de bontfokkerijen ook daar zullen gaan sluiten.

Impact van bontproductie op milieu en natuur

De bontindustrie is erop gebrand om zichzelf te presenteren als een ‘groene’ en duurzame industrie. Bont wordt in de markt gezet als een ‘natuurlijk’ product, terwijl het in werkelijkheid, zoals hieronder wordt beschreven, intensief bewerkt, getransporteerd en verwerkt moet worden voordat het geschikt is voor de verkoop.

Daarbij moet worden opgemerkt dat bont over het algemeen geproduceerd wordt als mode-item en ondanks dat het hergebruikt kan worden voor andere kledingstukken, modetrends erom bekend staan kort te duren. Hierdoor is er geen garantie dat een bontproduct het volgende modeseizoen nog gedragen of gerecycled zal worden.

Chemische verwerking

Zodra de vacht van een dier is verwijderd, zal het, tenzij het chemisch wordt behandeld, wegrotten. Chemicaliën zoals formaldehyde en chroom worden gebruikt om het rotten tegen te gaan. Omdat bont onderdeel is van een dood dier heeft het bescherming nodig tegen natuurlijk verval door onder andere insecten, bacteriën en schimmels.

Een mix van schadelijke en giftige stoffen wordt gebruikt bij het  verwerken en beschermen van onbewerkt bont. Denk hierbij aan oppervlakte-actieve stoffen, oplosmiddelen, zuren, tanninen, biociden, fungiciden, verfstoffen en bleekmiddelen. Arbeiders werkzaam in deze industrie lopen het risico op acute en chronische gezondheidsproblemen zoals huidklachten, oogklachten maar ook kanker en zelfs de dood. De stoffen zijn ook zeer schadelijk voor de in het water levende organismen en dragen bij aan luchtvervuiling. Een groot gedeelte van de bontverwerkende industrie is verplaatst naar ontwikkelingslanden zoals China, waar de milieustandaarden lager liggen en de arbeidskrachten goedkoper zijn.

Een IPPC-onderzoek uit 2003 van de Europese Commissie naar de best beschikbare technieken voor het kleuren van huiden en vachten erkent de verfindustrie als een als “a potentially pollution-intensive industry.”

Het ‘Industrial Pollution Projection System’ stelt dat de bontverwerkende industrie tot de top vijf van industrieën behoort die verantwoordelijk is voor  vervuiling door het gebruik van zware metalen.

Hoewel het grootste gedeelte van de bontverwerkende industrie zich verplaatst heeft naar China, maakt ook de Chinese overheid zich zorgen over de vervuiling die door bontverffabrieken worden veroorzaakt. In December 2007 meldde The Trapper & Predator Caller, een publicatie van de bonthandel dat China overwoog om een repressieve belasting in te voeren op de bontverwerkende industrie als onderdeel van een poging om zwaar vervuilende industrie te bestraffen.

Bont is niet groen

Bont is verre van een hernieuwbare natuurlijke hulpbron. Sterker nog, de productie van echt bont legt een groter beslag op onze kostbare en onvervangbare energiebronnen dan de productie van synthetisch nepbont. Uit onderzoek van  Gregory H. Smith, een onderzoeksingenieur op het gebied van vervoer aan de University of Michigan, is gebleken dat het bijna drie keer meer energie kost om een bontjas te maken van vachten van dieren die met een wildklem zijn gevangen, dan het produceren van een jas van synthetisch nepbont.

De claim dat bont een ‘groen’ product is, wordt ook weerlegd door de resultaten van een recent onderzoek naar de milieu-impact van de productie van nertsenbont. In 2011 voerde het Nederlandse onderzoekbureau CE-Delft een  levenscyclusanalyse voor de productie van bont. Hierbij bestudeerden zij de productieketen vanaf de productie van nertsenvoer tot aan de productie van een kilo bont klaar voor gebruik door de kledingindustrie. Er werd gekeken naar de impact van de bontproductie op achttien verschillende milieueffecten. Daarna werden deze resultaten vergeleken met het milieu-impact van verschillende textielsoorten zoals katoen, acryl, polyester en wol.

Uit het onderzoek bleek dat in vergelijking met textiel, bont de hoogste impact heeft voor 17 van de 18 berekende milieueffecten, waaronder klimaatverandering, vermesting en toxische emissies. De impacts van bont zijn een factor 2 tot 28 hoger, zelfs al worden voor diverse stappen in de bontketen de lage (ondergrens)waardes gebruikt. Alleen voor waterverbruik heeft niet bont, maar katoen de hoogste score.

Ook de N2O-emmissie (stikstofoxide) en NH3-emissie (ammoniak) afkomstig van de nertsenmest vormen een belangrijke factor bij de berekening van de milieu-impact. Deze stoffen dragen vooral bij aan de effecten verzuring en de vorming van fijn stof.

Het klimaateffect van 1 kilo bont is 5x zo hoog als de hoogste score voor ander textiel (wol). Dit komt door het voer en door de N2O-emissie van mest.

Impact op biodiversiteit

De bontindustrie heeft ook een aanzienlijke invloed op de biodiversiteit. Zij is verantwoordelijk voor het uitsterven van verschillende diersoorten zoals de zeenerts. Zoals hierboven al werd aangegeven vormt de jacht met wildklemmen een grote bedreiging voor populaties wilde dieren. De klemmen die worden gebruikt werken volledig willekeurig waardoor elk dier gevangen kan komen te zitten, waaronder ook ernstig bedreigde diersoorten. Deze jacht legt dus extra druk op al bedreigde populaties.

Als gevolg van de onverantwoordelijke houding van de bontjagers ten opzichte van het milieu ,zijn de grote katachtigen en veel van hun kleinere soortgenoten nu bedreigd met uitsterven en moeten nu beschermd worden tegen verdere uitbuiting.

Bovendien is de bontfokkerij ook verantwoordelijk voor de introductie van niet inheemse diersoorten. De Amerikaanse nerts, wasbeerhond, muskusrat en beverrat zijn allen naar Europa gehaald voor het fokken van bont maar leven nu ook in het wild. Deze indringers vormen een niet te onderschatten gevaar voor de biodiversiteit op het continent. Dit wordt tevens onderschreven in de Conventie over Biologische Diversiteit.

De Amerikaanse nerts heeft bijvoorbeeld de Europese nerts en bunzing verdreven als gevolg van een toenemende wedloop om voedsel. Verder vormt het dier een bedreiging voor inheemse vogels. In Groot-Brittannië is de nerts verantwoordelijk voor de terugval van de watervogel.

Niet inheemse diersoorten kunnen dus zeer grote gevolgen hebben voor de ecosystemen en de leefomgeving. De kosten die worden gemaakt om de (milieu)schade te minimaliseren zijn hoog. De indringers kunnen bijvoorbeeld ziektekiemen en parasieten bij zich dragen wat grote gevolgen kan hebben voor de inheemse diersoorten.

De grootschalige negatieve impact van niet inheemse dierensoorten op de biodiversiteit heeft in september 2013 bij de Europese Commissie tot een wetsvoorstel geleid. Men wil met deze maatregel de introductie en verspreiding van niet inheemse diersoorten zoveel mogelijk voorkomen.

De Fur Free Alliance en Eurogroup for Animals zijn voorstanders van het opnemen van de niet-inheemse diersoorten zoals de Amerikaanse nerts, wasbeerhond, muskusrat en bunzing op de te vormen lijst van ‘Diersoorten onder de zorg van de EU’. Zij hopen daarnaast dat het ‘de vervuiler betaalt’ principe wordt toegepast daar waar men de aansprakelijkheid kan aantonen ten opzichte van het opzettelijk vrijlaten of nalatig handelen van niet inheemse diersoorten.

Over de Fur Free Alliance

De Fur Free Alliance (FFA) is een internationale coalitie van dierenbeschermingsorganisaties die als doel heeft een einde te maken aan de uitbuiting en het doden van dieren voor hun vacht. De FFA heeft een wereld voor ogen waarin het moreel verwerpelijk is dieren te doden voor zulke onnodige doeleneinden. Wij streven deze doelen na op een legale en vreedzame wijze door het creëren van bewustzijn en geven van voorlichting  over het dierenleed en milieuschade dat aan bont kleeft.

Over Eurogroup for Animals

Eurogroup for Animals is de toonaangevende partij op het gebied van dierenwelzijn op Europees niveau. Wij zijn de stem van de miljarden dieren die in laboratoria, fokkerijen, boerderijen of in het wild leven. De organisatie is erkend door de EU en neemt deel in alle mogelijk relevante comités en overlegorganen op Europees niveau.