Bont voor Dieren

In de jaren 1890 schreef de Engelse humanist Henry Salt het volgende:

‘Moeten we dooden, ’t zij mensch of dier, laat ons dooden en daarmee uit; moeten we pijn doen, laat ons ’t onvermijdelijke doen, zonder huichelen, uitvluchten of aanstellerij. Maar (en dit is ’t punt, waar ’ t op aankomt) laten we ons eerst verzekeren dat het noodig is; laat ons niet lichtzinnig heenlopen over noodelooze ellende van andere wezens, om daarna ons geweten in slaap te wiegen met een reeks looze uitvluchten die absoluut geen eerlijk onderzoek kunnen velen.’ (1)

Salt was een man die zijn invloed op de wereldgeschiedenis niet heeft gemist, vooral omdat hij een belangrijke inspiratiebron was voor Mahatma Gandhi. En het zal niemand verbazen, Salt was een krachtig bestrijder van bont. Om hem nogmaals te citeren:

‘Wat hij ook in andere opzichten zijn mag, de handel in bont is, voor zoover hij dient om wie niet genoodzaakt zijn bont te dragen van sierlijke kleding te voorzien, een barbaarsche en domme zaak.’ (2)

Salt was niet de enige in de westerse wereld die aan het eind van de negentiende eeuw tegen bont opkwam. (3) En dat was niet toevallig. Traditiegetrouw werd het gebruik van bont – en dat van dieren in het algemeen –gerechtvaardigd met een beroep op god. God had de dieren geschapen ten dienste van de mens. God had het paard geschapen om bereden te worden; het varken om op te eten; en de beer voorzien van een dikke vacht niet met het ultieme doel om zichzelf warm te houden, maar terwille van de anders naakte gelovige.

In de negentiende eeuw kwam het geloof in het christendom in intellectuele kringen echter onder zware druk te staan. Historisch onderzoek wees uit dat de bijbel nooit letterlijk waar had kunnen zijn. Charles Darwin publiceerde in 1859 zijn baanbrekende evolutietheorie. Het scheppingsverhaal had er een geduchte concurrent bij gekregen.

Moraal

Daarmee ontstond een groot probleem. Want het christendom was de grondslag geweest van de moraal. Maar hoe moest nu die moraal worden gegrondvest? Hier waren globaal drie oplossingen voor, die overigens in de praktijk in allerlei mengvormen konden voorkomen.

De eerste uitweg was dat de moraal nog steeds op religie werd gebaseerd. Dat kon een vlucht naar voren in het christendom zijn, of  een poging christendom te verzoenen met modern wetenschappelijke inzichten, zoals in de moderne theologie. Maar ook keerden veel mensen zich naar andere religies. Oude, zoals het boeddhisme, of nieuwe, zoals de theosofie. Afhankelijk van het soort religie kon de exploitatie van dieren voor bont nog steeds worden gerechtvaardigd of worden afgewezen. Zo droegen gereformeerden bont met een beroep op Genesis en droegen Tolstojanen géén bont met een beroep op de Bergrede – of op Boeddha.

Natuur

De tweede manier het probleem van de moraal op te lossen was de vervanging van god door de natuur. Mensen gingen in de natuur de moraal zoeken. Als iets natuurlijk was, was het goed. Voor wie in de mens een van nature goed wezen zag, kwam nu de exploitatie van dieren eveneens onder druk te staan. De mens zou een natuurlijke afkeer hebben om te doden en dat stond het dragen van een bontmantel uiteraard in de weg. Vele malen invloedrijker was echter het beroep op het principe van de strijd om het bestaan en het recht van de sterkste. Individuen, groepen en soorten waren, zo betoogden tal van sociaal-darwinisten, gewikkeld in een continue oorlog om te overleven. En alleen de beste overleefden. En dat was goed, want dat betekende vooruitgang. Filosofen noemen overigens deze stap van ‘wat is’ – natuur – naar dat ‘wat zou moeten zijn’ – moraal – de naturalistische drogreden.

Menselijke rede + gevoel

De derde oplossing was de weg van de humanist Salt, namelijk het zoeken van de moraal in de mens, door gebruik van de menselijke rede en gevoel. Zoals hierboven duidelijk geworden kwam Salt tot de conclusie dat de wereld niet valt te bevrijden van doden en lijden. Maar tevens kwam hij tot de slotsom dat deze wel degelijk sterk verminderd kunnen worden. En daarin lag wat Salt betreft de opdracht van de mens als moreel verantwoordelijk wezen. Daarvan was het uitbannen van de overbodige exploitatie van dieren voor bont een relatief makkelijk te realiseren facet.

Dit voorbeeld van Salt maakt duidelijk dat de ideologie van de anti-bontbeweging al vroeg was gevestigd. De reikwijdte ervan breidde zich in de eerste helft van de twintigste eeuw weliswaar uit, maar bleef toch beperkt tot relatief kleine, progressieve kringen.

Jaren zeventig

Dat begint te veranderen in de jaren 1970. Daar zijn verschillende oorzaken voor te noemen. De democratisering van het hoger onderwijs; de manifestatie van een nieuwe, grote generatie van babyboomers die in een andere verhouding staat tot autoriteit en traditie; de secularisatie die een hoge vlucht neemt; en een verschuiving in aandacht voor economische groei en welvaart naar aandacht voor welzijn en postmateriële waarden.

Wat dat laatste betreft, met name het rapport van de Club van Rome uit 1972 vestigt het besef dat de mens niet ongebreideld de aarde kan en mag plunderen. En hoewel de Club van Rome weinig met dieren ophad, leidt het milieubesef bij velen weldegelijk tot bezinning. Niet alleen over hoe mensen met grondstoffen en natuur omgaan, maar ook hoe zij zich gedragen jegens hun medeaardbewoners.

Opkomst televisie

Bovendien en van cruciale betekenis: door de opkomst van de televisie wordt dat direct in vrijwel alle huiskamers duidelijk. En die mens-dierverhouding kan geen directere, plastischer uitdrukking krijgen dan in de zeehondenjacht. De gewapende mens, door middel van high-tech materieel midden in de meest onherbergzame natuur geplaatst die volkomen weerloze dieren de kop inslaat (afbeelding 1, 2, 3). En dat ten behoeve van een product dat hij al vele decennia of zelfs eeuwen niet meer nodig heeft. Het is een notendop hoe de mens zich tot het dier verhoudt. Daarbij, dat dier blijkt extreem mediageniek. Het beschikt, om een begrip te gebruiken dat Rudy Kousbroek in 1969 lanceerde, over een uiterst grote aaibaarheidsfactor. Zeehondenbaby’s zijn zacht, smetteloos en hebben grote donkere ogen waarin het moeilijk is géén verwijt te projecteren. Een storm van protest tegen de zeehondenjacht wakkert gedurende de jaren 1970 aan en bereikt volle kracht in de jaren 1980.

Oprichting Bont voor Dieren

De logica van de situatie leidt ertoe dat de massale verontwaardiging zich ook op de andere bontdieren richt – wat in 1982 resulteert in de oprichting van het Anti Bont Comité, de voorloper van Bont voor Dieren. Wie tegen het doden en villen van zeehonden is, kan moeilijk niet tegen het doden en villen van andere zoogdieren voor bont zijn. Het wordt duidelijk dat dieren die in wildklemmen worden gevangen niet zelden een lange, heftige en pijnlijke doodsstrijd voeren. En bovendien zijn de klemmen niet al te selectief: ze vangen en doden ook andere dieren ‘per ongeluk’. In het verhelderende jargon van de bontsector: ‘rommeldieren’.

Bontfokkerij

Daarnaast blijkt dat die andere, nog grotere bron van bont, de bontfokkerij, een zo mogelijk nog ingrijpender aantasting van het dier met zich meebrengt. (4) Terwijl hun wilde soortgenoten vóór hun dood tenminste de kans hebben gekregen hun eigen leven te leiden, ontbreekt die mogelijkheid voor de dieren op de bontfarms. Vossen, nertsen, chinchilla’s, konijnen, wasberen en in Azië ook honden en katten worden in kleine, draadgazen kooien gehouden met geen of weinig afleiding (afbeelding 4). Ze worden gefrustreerd in het ontplooien van hun aangeboren gedrag en kampen met allerlei, vaak ernstige welzijnsproblemen. Na een kort leven van verveling en stress ontmoeten zij de ultieme gezondheids- en welzijnsaantasting in de gaskist, door anale elektrocutie of omdat mensen hun nek breken.

Publieke opinie

Gezien de verspreiding van deze kennis wekt het geen verbazing dat opiniepeilingen vanaf de jaren tachtig laten zien dat een ruime meerderheid van de Nederlandse bevolking tegen bontfokkerijen is. De laatste jaren zijn de peilingen zelfs uitermate consistent. Uit zowel onderzoek van de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht (2003) als onderzoek door TNS-NIPO in opdracht van Bont voor Dieren (2006) als onderzoek uitgevoerd in opdracht van het – bontstimulerende – Ministerie van LNV (2007) blijkt dat 69% van de bevolking duidelijk tegen het fokken voor bont is. Daartegenover staat dat zo’n tien procent duidelijk vóór is. (5)

Ook in de wetgeving tekent zich een omslag af. In 1981 wordt door de overheid met de Nota Rijksoverheid en Dierenbescherming voor het eerst officieel de intrinsieke waarde van het dier erkent. Dat wil zeggen, erkend wordt dat het dier in zichzelf en voor zichzelf waarde vertegenwoordigt. In 1992 krijgt dat uitdrukking in nieuwe dierenbeschermingswetgeving. Kern daarvan is het volgende wetsartikel:

‘Het is verboden om zonder redelijk doel of met hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen.’

Bont valt door mensen uiteraard niet anders te gebruiken dan na fataal letsel te hebben toegebracht aan dieren. Gezien de overbodige aard van bont in de westerse wereld lijkt dat geen redelijk, proportioneel doel. De wet schept kortom de duidelijke mogelijkheid aan bontproductie een eind te maken. Deels is dat ook gebeurd. Medio jaren negentig is in Nederland het fokken van vossen en chinchilla’s met een overgangsperiode verboden. Dit betekent effectief dat de laatste vossen- en chinchillafokkerijen begin 2008 de deuren hebben gesloten.

Deels is die wetgeving dat ook nog niet gerealiseerd. Sterker, Nederland is sinds de jaren 1980 uitgegroeid tot het derde nertsenbontproducerende land ter wereld. (Alleen Denemarken en China gaan Nederland voor.) In de maand november, eufemistisch ‘afpelseizoen’ geheten, werden in 2007 in Nederland zo’n vier miljoen dieren vergast en gevild voor hun mooie wintervacht. Daarbij bestaan er geen wetten die de dieren specifieke bescherming bieden. Er is alleen een productschapverordening, een document waarin de bontsector zelf enkele minimale welzijnseisen heeft vastgelegd. Dat betekent dat nertsen gehouden worden in draadgazen kooitjes slechts voorzien van een klein nesthokje en een stukje pvc-buis bij wijze van ‘kooiverrijking’. Dat betekent ook dat nertsen niet eens de beschikking hebben over water om in te zwemmen en in te spelen, iets dat, zoals onderzoekers van Oxford University in 2001 hebben aangetoond, nodig is voor een positief nertsenwelzijn. (7) (Nertsen hebben niet voor niets zwemvliezen aan hun achterpoten.)

Ondervoeding

En niet alleen ontbreekt het de dieren aan positieve prikkels, een rapport van de Universiteit van Wageningen (oktober 2007) concludeert tevens dat bij nertsen op verschillende punten sprake is van (ernstig) ‘ongerief’. Zo gaan ze uit frustratie staartbijten en vertonen ze stereotiep gedrag. Ook krijgen ze in de winterperiode niet voldoende voedsel. Dat gebeurt om hen sneller in conditie te krijgen voor de volgende reproductiecyclus. Soms heeft dat zelfs tot gevolg dat dieren omkomen door ondervoeding. Een deel van de problemen wijten de wetenschappers aan de omstandigheid dat nertsen, ondanks vele pogingen daartoe, niet goed zijn te domesticeren. (8)

Behalve dat in Nederland bont wordt geproduceerd, zijn er hier ook nog steeds mensen die bont dragen. Weliswaar nauwelijks meer als hoofdingrediënt van hun jas, maar wel als decoratieve rand of kraag. Zij worden daarin gesteund door de bontsector die sinds het eind van de jaren tachtig zeer veel tijd en middelen stopt in de promotie van bontgebruik. De omslag die rond 1980 plaatsvond is kortom nog niet compleet.

Optimisme

Toch, de geschiedenis overziend ben ik voor de toekomst van de dieren positief. Ik wil daarvoor een paar punten noemen.

Ten eerste zou de huidige, hernieuwde aandacht voor milieu weer een katalyserende werking kunnen hebben, net zoals dat in de jaren 1970 het geval was. Dit temeer omdat de bontindustrie milieutechnisch bijzonder slecht scoort, vanwege het bontfokken zelf, maar vooral ook vanwege de verwerking van de huiden. Dat is namelijk een zwaar vervuilende industrie die vanwege Europese milieuregels, vooral in Azië is gevestigd. De bontverwerking geldt daarbij als de vijfde meest vervuilende industrie als het aankomt op de vervuiling van grond met zware metalen. (9) Bovendien betekent het dat bont zeer veel kerosineverslindende transportkilometers maakt. Ook het slachtafval dat pelsdieren te eten krijgen kan veel nuttiger worden gebruikt: er kan ‘groene’ stroom uit worden opgewekt. (10)

Positief is in zekere opzicht ook de technische ontwikkeling van kunstbont. Kunstbont wordt steeds beter, waarmee het doden van dieren voor bont steeds nodelozer wordt. Om één voorbeeld te noemen, in 2006, vond een onderzoek plaats naar dierenbont door de Voedsel en Waren Autoriteit in opdracht van het ministerie van LNV. Van de 51 dierenbontsamples die de onderzoekers dachten te hebben verzameld, bleken echter na microscopisch onderzoek 14 uit kunstbont te bestaan. (11)

Verbod op bontfokkerijen

Een derde positief punt is dat stap voor stap de productie van bont wordt teruggedrongen. In Engeland is de pelsdierfokkerij al verboden. Datzelfde geldt voor Oostenrijk. Ook in Nederland ligt er nu (2007) een wetsvoorstel om de nertsenfokkerij te verbieden. De vraag dient zich hierbij wel aan of met zulke verboden de productie zich niet simpelweg verplaatst naar het buitenland. Principieel is het natuurlijk niet valide: onwenselijke praktijken in het ene land vallen immers niet te rechtvaardigen met een beroep op het bestaan van dezelfde onwenselijke praktijken in een ander land. Maar, en misschien belangrijker, ook in praktische zin gaat de vlieger van het verplaatsingsargument niet op. De kans bestaat inderdaad dat een verbod in het ene land op de korte termijn tot een gedeeltelijke verhuizing van de productie leidt naar een ander land. Maar de nadruk ligt hier op ‘op korte termijn’ en ‘gedeeltelijk’. Want de werking van de bontmarkt is geen rechtlijnig proces. In economisch jargon: bont is noch geheel production driven, noch geheel consumer driven. Ingrijpen aan de productiekant heeft daarom wel degelijk effect. Bovendien gaat op termijn van het toenemend aantal nationale verboden een inktvlekwerking uit. Hoe meer nationale verboden van kracht zijn, hoe sneller een algeheel Europees verbod in zicht komt. Daarnaast is een nertsenfokverbod een belangrijk signaal aan consumenten om geen bont te kopen.

Vraag en aanbod

Aansluitend bij dat laatste, de wisselwerking van aanbod en vraag maakt dat het voor Bont voor Dieren van groot belang is zich ook op de retail en consumptie te richten. En ook daar boeken we resultaat. In de EU wordt 21 december 2008 een importverbod op honden- en kattenbont van kracht. België en Nederland hebben de import van zeehondenproducten in 2007 verboden. Bovendien spreken we winkels en consumenten direct aan op hun verantwoordelijkheid. Met succes. Winkels als Bijenkorf, Zara en H&M voeren een bontvrij-beleid, net als bijvoorbeeld het magazine Cosmopolitan met haar ‘Smart girls fake it’-campagne.

Kunstbont?

Dat bont steeds minder geaccepteerd raakt, laat zich gek genoeg ook aflezen aan de bontindustrie zelf. Was het vroeger normaal dat aan bontjes nog vossenkoppen bungelden of nertsenpootjes, de ontwikkeling is sterk dat men probeert de relatie tussen dier en bont zoveel mogelijk te verhullen. Bont wordt zelfs steeds meer geverfd en geschoren, met andere woorden, terwijl kunstbont steeds meer op dierenbont gaat lijken, komt er steeds meer dierenbont op de markt dat op kunstbont probeert te lijken. Je ziet die verhulling ook in het taalgebruik. De bontfokkerij heeft het doorgaans niet over het doden en vergassen van dieren, maar over ‘oogsten’ – alsof het niet om dieren, maar om appeltjes gaat. Er wordt meestal ook niet over ‘villen’ gesproken, maar over ‘afpelzen’; over wildklemmen als ‘humane trapping’ en over bont als ‘duurzaam en verantwoord natuurproduct’. Dit wijst erop dat ook de bontindustrie een kloof ervaart tussen opvattingen en gedrag – in de sociale psychologie ‘cognitieve dissonantie’ genoemd. Door middel van misrepresentaties (‘bont is een bijproduct van de vleesindustrie’), verhullend taalgebruik en andere ‘coping strategies’ probeert men deze dissonantie te reduceren. (12)

Design Against Fur

Voor Bont voor Dieren houdt dit in dat een belangrijk deel van onze opdracht is die onvermijdelijke connectie die bestaat tussen het doden van dieren en bont steeds weer zichtbaar te maken. Als besluit een voorbeeld van hoe wij dat in internationaal verband trachten te doen. Persoonlijk spreekt mij dit erg aan omdat het wereldwijd enorm veel creativiteit losmaakt, namelijk Design Against Fur. Dat is een wedstrijd voor studenten vormgeving om affiches tegen bont te maken. In Nederland bestaat het comité van aanbeveling overigens uit onder meer Wim T. Schippers en Sjarel Ex. Als deze wedstrijd ook als barometer zou mogen gelden voor hoe de anti-bontbeweging zich over de wereld verbreidt, is het hoopgevend dat in 2007 duizenden inzendingen uit China binnenkwamen.

Bont heeft een bloedige achterkant. Bont voor Dieren zet zich in om, in de woorden van Henry Salt, te voorkomen dat wij ‘ons geweten in slaap wiegen met een reeks looze uitvluchten’.

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in het Jaarboek 2007 van de Textielcommissie.

(1) Henry Salt, De rechten der dieren, beschouwd in verband met den socialen vooruitgang, Den Haag 1897, p.19. Het originele boek, Animals’ rights: considered in relation to social progress, is uit 1892.

(2) Idem, p.56.

(3) Diane L. Beers, For the Prevention of Cruelty, Athens, Ohio 2006, p.82-84.

(4) De bontfokkerij en het vangen van wilde dieren zijn dé twee manieren waarop bont wordt verkregen. De bontindustrie stelt graag dat bont ook afkomstig is van ‘plaagdieren’, in casu muskusratten (Furworks, nr.3, 2006). Deze dieren worden echter vernietigd (zoals de bontindustrie vervolgens wel toegeeft – maar de suggestie is dan al gevestigd). Overigens, historisch gezien is de miljoenenverslindende bestrijding van muskusratten wel een erfenis van de bontindustrie. Muskusratten zijn  in de eerste helft van de twintigste eeuw naar Europa gehaald om te fokken op bontfarms. Ontsnapte dieren hebben zich vervolgens over half Europa verspreid.

Ook de bewering dat een andere grote bron van bont de vleesindustrie is, is niet correct. Het gaat dan met name om konijnenbont. Konijnenbont is echter doorgaans geen restproduct van de vleeskonijnenhouderij. Het bont van vleeskonijnen is van een te slechte kwaliteit om als bont verwerkt te kunnen worden.

(5) J.L. Rutgers, J. Swabe, E.N. Noordhuizen-Stassen, Het doden van gehouden dieren: ja, mits… of nee, tenzij?, Utrecht 2003; TNS-NIPO, Peiling opvattingen bont, Amsterdam 2006; M. Werkman, M. Valk, M. Leineweber, Opvattingen over dierenwelzijn in Nederland, Amsterdam 2007. Overigens lijkt een enquête van Maurice de Hond in opdracht van het Bontinstituut (2005) de uitzondering die deze regel bevestigt. In deze peiling is echter – voor zover bekend – niet expliciet gevraagd naar de acceptatie van het fokken voor bont, zodat een vergelijking op dit punt niet mogelijk is. Zie Furworks, nr.3, 2006.

(6) Voor de fijnproevers, in tegenstelling tot dit wetsartikel formuleert Salt in het aan het begin aangehaalde citaat geen ‘nee, tenzij’, maar een ‘ja, mits’: Ja, we mogen doden en pijnigen, mits dat noodzakelijk is.

(7) G. Mason, J. Cooper, C. Clarebrough, ‘Frustrations of fur farmed mink’, Nature, 410 (2001), p.35-36.

(8) F.R. Leenstra, E.K. Visser, M.A.W. Ruis e.a., Ongerief bij rundvee, varkens, pluimvee en nertsen, Wageningen 2007, p.25-27.

(9) H. Hettige, P. Martin, M. Singh, D. Wheeler, IPPS, The Industrial Pollution Projection System, z.p. 1994, p.50-54.

(10) Ferdinand Borsje, ‘Vergisting van slachtafval is economisch haalbaar’, Vleesindustrie, januari 2005, p.13; W.H.M. Baltussen, J.H. Wisman, I. Vermeij, Economische verkenning van de sanering van de nertsenhouderij in Nederland, Den Haag 2007, p.12.

(11) Voedsel- en Waren Autoriteit, Resultaten marktverkenning naar de aanwezigheid van honden- en kattenbont (in kleding) op de Nederlandse markt, dl. 2, Den Haag 2006.

(12) L. Sterrenberg, I. Miedema, N.E. van de Poll (red.), Hoe oordelen wij over de veehouderij?, Den Haag 2001, p.62-66.